Thé summer must hàààààve, alleen weet Tiany Kriebelhof het nog niet: een braadspit voor op uw bloesje. Van bij de Fransozen natuurlijk. En maar tien euro. Een koopje!

Thé summer must hàààààve, alleen weet Tiany Kriebelhof het nog niet: een braadspit voor op uw bloesje. Van bij de Fransozen natuurlijk. En maar tien euro. Een koopje!

Gisteren in de cinema, bij aanvang van ‘Doubt’.
- (60-jarige dame) En hoe noemt dat filmpke dat hier subiets begint?
- (50-jarige dame) ‘Dowpt’ met Merry Striep.
Film start, titel verschijnt over heel de schermbreedte.
- (50-jarige dame) Aha, voilà zie, ‘Dowpt’. We zitten juist. Ze zouden dat wel moeten vertalen. Geen mens die weet wat dat woord ‘Dowpt’ betekent.

(gisteren opgevangen in een Gents pashokje)
- Weet jij al wat je dit jaar met Kerst aan je ouders gaat geven?
- Ja, een Sensoa.
Liliane is bijna zeventig en heeft een hardnekkig bocheltje en twee vriendinnen. Haar bocheltje is het soort nekvergroeiing waardoor ze meer grond dan lucht ziet; haar vriendinnen het soort postmenopausale hellevegen die je liever niet naast je hebt zitten op een terrasje.
(Liliane) Ik heb gisteren 2 nieuwe pulls gekocht. Je weet wel, in van die warme, zachte stof. Pinar… ponar … ik kom er even niet op.
(vriendin 1) Huh? Wat? Een peignoir dan, bedoel je?
(Liliane) Maar neen, ’t zijn pulls. In zo’n warme stof.
(vriendin 1) En zijn dat dan pulls? Ben je dat zeker? Of zijn’t een soort joggings met een broek erbij?
(Liliane) Maar neen, polars zijn het! Dat is’t: polars!
(vriendin 2) Zie je dat het toch peignoirs zijn.
(Liliane) Maar neen, polars. Ken je dat niet?
(vriendin 1) Ja zeg, een mens moet jou ook altijd alles twee keer vragen. (buigt haar hoofd helemaal naar voor en immiteert bocheltje) Je spreekt ook altijd zo onduidelijk!
(…)
(Liliane) Ik wou gisteren ook nog een nieuwe broek kopen. Kom ik daar toch weer iets tegen zeker. Ik stap die winkel binnen, struikel en val pardoes in de vitrine. Alles tegen de grond.
(vriendin 2) Ik snap niet dat uitgerekend jij kunt vallen. (buigt haar hoofd helemaal naar voor en immiteert bocheltje). Jij ziet toch alles liggen?!
Pironik heeft een oor voor prietpaat.
Goud waard, zo’n oren, als u het mij vraagt.

(kinesist) En wat vind je van de politiek, Estelle?
(bejaarde patiënte) Een soep hé, een soep. Maar in Amerika is’t nóg erger. Daar stemmen ze voor een neger!
(kinesist) Vond je Hillary Clinton dan misschien meer geschikt?
(bejaarde patiënte) Maar neen gij, da’s even erg. Een vrouw! Allez, dat gaat toch niet. En die is in de menopauze hé. Zo kun je toch geen land besturen!
(klant) Een dikke plak van van die wildpaté alstublieft.
(slager) Van welke paté?
(klant) Deze hier in die schaal op de toonbank.
(slager) Dat is een bloemstuk, mevrouw.

(bakvis 1) Zeg eens eerlijk, wie vind jij de knapste?
(bakvis 2) Die met zijn witte broek.
(bakvis 1) Meen je dat nu? Zot! Zo’n janet!
(bakvis 2) Maar neen, da’s geen janet.
(bakvis 1) Du-uh, witte broek, roze riem, en zie hem flapperen met zijn handen!
(bakvis 2) Oké oké, ik geef het toe, ‘t is een janet. Maar hij heeft wel een iPhone.
(bakvis 1) ‘t Is waar. ‘t Is de knapste (zucht).
(ik)
“Hey. Wil je aub even opschuiven zodat ik bij de kaas kan?”
(het jongetje van zeven)
“Ja hoor!”
(moeder van het jongetje van zeven)
“Matthias, wil je nu ein-de-lijk ophouden! Je stoort de andere mensen met je kar: vooruit, achteruit! Hier zijn de autosleutels. Ga daar maar op me zitten wachten!”
(ik)
“Maar mevrouw, ik ben het die …”
(moeder van het jongetje van zeven)
“Maar enfin! Is het misschien uw kind?!?” (beent weg)